Overzicht
van zoetwatervissen die in de Nederlandse wateren voorkomen. Er wordt een korte
omschrijving gegeven over de herkenning van de vis, de verspreiding ervan en
het voedsel dat ze in hun natuurlijke omgeving eten. De minimummaat en gesloten
vis tijd.En Of de soort
onder de Flora0 Faunawet vallen. Deze dienen na eventuele vangst onmiddellijk
in het zelfde water te worden teruggezet. Het aangewezen aassoorten zijn Brood,
Aardappel, Deeg, Kaas, Granen, Zaden, Worm, Steurkrab, Insecten, Insectenlarven
(maden) en nabootsingen daarvan, mits niet groter dan 2,5 cm. Gesloten tijd
aassoort: van 1 april tot de laatste zaterdag van mei met Worm of nabootsing
daarvan, stukjes vis, dood visje, slachtproducten, alle soorten van
kunstvliegen kleiner dan 2,5 cm en het is in het hele jaar verboden alle levend
vissen als aas bij binnen- en kunstvisserij Het verbod geld ook voor het
gebruik van andere gewervelde dieren. Made en Wormen zijnals
aas toegestaan.
|
Bruine Amerikaanse
Dwergmeerval
|
|


Uiterlijk: Het lichaam is slangachtig van vorm. De
borstvinnen bevinden zich direct achter de kop. Op het achterste deel van het
lichaam is, zowel onder als boven, een vinzoom aanwezig die uitloopt in de
staartpunt. Buikvinnen ontbreken.
Leefgebied: Algemeen. Trekt meestal als glasaal van circa. 6 cm lengte
vanuit zee de binnenwateren in. Volwassen exemplaren trekken terug naar zee om
zich voort te planten. De glasaalintrek is tegenwoordig sterk verminderd.
Voedsel: het voorkeursvoedsel bestaat uit insectenlarven en kleine
kreeftachtige. Grote exemplaren eten ook wel visjes en weekdieren.
Lengte tot circa: 125cm
Minimummaat: 28 cm
Gesloten tijd: het gehele jaar
Uiterlijk: De afgeplatte kop telt 8
bekdraden aanwezig.
Leefgebied:
Uitheems. Wordt op enkele plaatsen in ons land gekweekt. Is in het recente
verleden in een aantal wateren terecht gekomen. De overlevingskans in de winter
is nihil.
Lengte tot circa:
130cm

Uiterlijk: De bek is bovenstandig. Op de
zijlijn liggen 48-55 schubben. De kleur is opvallend zilverachtig.
Leefgebied:
Vrij zeldzaam. Komt met name in de rivieren meer
algemeen voor.
Voedsel: insecten,
insectenlarven en dierlijk plankton.
Lengte to circa:
25cm

Uiterlijk: Over de staartwortel loopt een donkere band.
De vinnen bij de staartvin zijn bolrond. De rugvin ligt ver naar achteren.
Leefgebied: Uitheems zeldzaam. Komt oorspronkelijk uit Noord Amerika. In
Noord-Brabant en Limburg plaatselijk vrij algemeen aanwezig in vennen en beken.
Is goed bestand tegen verzuring van het water.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, wormpjes, kleine kreeftachtige en
visbroed.
Lengte tot circa: 15cm


Uiterlijk: De 2 rugvinnen zijn gescheiden,
waarvan de voorste uitsluitend harde stekels heeft. Op de achterzijde van de
voorste rugvin bevindt zich een zwarte vlek. Over het lichaam lopen een aantal
verticale, donker banden.
Leefgebied:
Algemeen. Komt voor in niet te troebele wateren.
Voedsel:
Eet allerlei dierlijk voedsel, maar boven een lengte van 15cm vooral vis.
Lengte tot circa:
50cm
Minimummaat: 22 cm
Gesloten tijd: van 1 april tot de laatste zaterdag van mei

Uiterlijk: De bek is onder stadig met dikke uitstulp
bare lippen. Er zijn 4 bekdraden aanwezig, waarvan 2 op de bovenlip en 1 in elke
hoek van de bek. De rand van de rugvin is hol ingesneden.
Leefgebied: Zeldzaam. Wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het
stroomgebied van de Limburgse Maas, maar komt in andere grote rivieren ook
voor.
Voedsel: Vooral insectenlarven, wormpjes en weekdieren.
Lengte tot circa: 70cm
Minimummaat: 30 cm
Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

Uiterlijk: op het lichaam komen
rode en zwarte vlekken voor, die meestal blauw of wit zijn omzoomd. Bovengenoemde vlekken ontbreken op de staartvin. Er is een
vetvin aanwezig.
Leefgebied: Zeldzaam. In verschillende beken wordt getracht door
uitzettingen een natuurlijke forellenstand terug te krijgen. Ook komt beekforel
door uitzettingen voor in het Veerse meer.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeft kreeftachtige
soms kleine vissen.
Lengte tot circa: 100cm
Minimummaat: 25 cm
Gesloten tijd: van 1 oktober tot en met 31 maart
Uiterlijk: De zuigbek van een volwassen beekprik is
voorzien van een raspschijf, deze is bezet met een klein aantal, nauwelijks
zichtbare tandjes. Er zijn aan elke zijde 7 kieuwopeningen. De beide rugvinnen
zijn vrijwel aaneengegroeid.
Leefgebied: Zeldzaam. Komt plaatselijk voor in beken. De larve van de
beekprik (herkenbaar door het ontbreken van de ogen) leeft vrijwel geheel
ingegraven in de bodem.
Voedsel: Larven en andere kleine voedseldeeltjes, die ze uit het
langsstromende water filteren. Volwassen exemplaren voeden zich niet en leven
slechts enkele maanden.
Lengte tot circa: 16 cm


Uiterlijk: Het slanke, bij oudere vissen iets gedrongen
lichaam is met zeer kleine schubben bedekt. De met vele tandjes bezette bek is
gespleten tot achter de grote, barnsteenkleurige ogen. De voorste rand van de
borst- en bukvinnen en de aasvin heeft meestal een witte zoom die, in
tegenstelling tot de bronforel, niet met een zwarte rand zijn afgezet. De
rugvin en duidelijke holle staartvin zijn grijs, vaak met een rode zweem. De
vetvin, het typische kenmerk van de Ontbreekt niet, maar is wel opvallend klein.
Leefgebied: Zeldzaam. Zeer noordelijk verspreiding Lapland, IJsland,
Schotland en Groenland en in kleinen vorm in bergmeren in de Alpen.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeft kreeftachtige
soms kleine vissen.
Lengte tot circa: 100 cm
Minimummaat: 25 cm
Gesloten tijd: van 1 oktober tot en met 31 maart
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: Er zijn 6 bekdraden van ongelijke lengte
aanwezig, waarvan 4 op de bovenlip en 2 in de hoeken van de bek. Lichaam en
vinnen zijn onregelmatig vaag gevlekt. De voorzijde van de rugvin bevindt zich
vóór de voorzijde van de buikvinnen.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Het bermpje komt in veel
beken op zandgrond vrij talrijk voor.
Voedsel: Voornamelijk kleine diertjes zoals insectenlarven en wormpjes.
Lengte tot circa: 15cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: Op de korte, onvolledige zijlijn liggen
34-38 schubben. Op de achterzijde van het lichaam bevindt zich een horizontale
blauw groene streep. In het voorjaar zijn de vrouwtjes in het bezit van een
zogenaamde legbuis.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt plaatselijk in groter
aantal voor in schone stilstaande wateren. De bittervoorn is voor de
voortplanting afhankelijk van de aanwezigheid van grote
zoetwater mosselen. Voedsel: Voornamelijk plantaardig materiaal,
dierlijk plankton en insectenlarven.
Lengte tot circa: 10cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: De bek is eindstand. Boven in het oog bevind zich een rode vlek. Voorzijde rugvin boven voorzijde
buikvinnen. Op de zijlijn liggen 43-47 schubben.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in allerlei watertypen.
Voedsel: Voornamelijk slakjes en insectenlarven, soms plantdelen.
Lengte tot circa: 45cm

Uiterlijk: De bek is bovenstandig. Er is
een, niet altijd goed zichtbare, donkere band van de
neus tot aan de staart. Mannetjes zijn domkerder van
kleur, in de paaitijd staalblauw. Kop en kieuwdeksels zijn dan violet en
roodachtig.
Leefgebied:
Uitheems, zeer zeldzaam. Vissoort uit oost-Azië. Breidt zich naar het westen uit. Is aangetroffen in beken en
andere wateren in Noord-Limburg en in Maas en Rijn
Voedsel:
Kleine kreeftachtigen, slakjes en algen.
Lengte tot circa:
7cm

Uiterlijk: De blauwneus heeft een vlezige snuit. Het
voorste gedeelte van de kop heeft een donkere, blauwachtige schijn. De anaal vin is langer dan bij de sneep, er zijn 20 tot 25
vinstralen. De onderstand bek is hoefijzervormig. In de paaitijd heeft de
blauwneus een blauwzwarte bovenzijde en buik en vinnen worden oranjerood.
Leefgebied: Uitheems, zeer zeldzaam. Uit Oost europa afkomstige riviervis, waarvan exemplaren gevangen
zijn in de Neder Rijn, het Rotterdamse havengebied en enkele Limburgse beken.
Voedsel: Allerlei bodemdiertjes.
Lengte tot circa: 50cm

Uiterlijk: De bek en de ogen van deze platvis staan
scheef op de kop. De rug- en anaalvin zijn zeer lang.
Op de zijlijn en op de basis van de rug- en anaalvin
komen kleine beenknobbeltjes voor, die ruw aanvoelen als men hierover van
staart naar kop strijkt.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt voor in zee en in brakke tot zoete
wateren, die in zee uitmonden. Trekt als een- of tweejarige vis de zeeopeningen
in.
Voedsel: Hoofdzakelijk kleine kreeftachtige, wormpjes en kleine vis.
Lengte tot ca.: 50cm
Minimummaat: 20 cm

Uiterlijk: Kleine exemplaren kunnen verward worden met
de kolblei. Aantal rijen schubben boven de zijlijn bedraagt 12 tot 14. De
oogdiameter is kleiner dan de afstand van het oog tot de punt van de bek. De
bek is onderstand en ver uitstulpbaar.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in allerlei watertypen.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kleine kreeftachtige en wormpjes.
Lengte tot circa: 80cm

Uiterlijk: Over het gehele
lichaam verspreid, inclusief de vinnen maar uitgezonderd de buik, komen zwarte stippen voor. Over beide zijden loopt een
horizontale purperen band. Er is een vetvin aanwezig.
Leefgebied: Uitheems, vrij zeldzaam. Komt oorspronkelijk uit Noord Amerika.
Wordt uitgezet in o.a. het brakke Veerse meer en
sommige andere Delta - wateren. Uitzetting vindt ook plaats in kleine intensief
beviste hengelwateren.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeftachtige en soms
kleine vissen.
Lengte tot circa: 100cm
Minimummaat: 25 cm
Gesloten tijd: van 1 oktober tot en met 31 maart

Uiterlijk: Kan worden verward met de zwarte Amerikaanse
dwergmeerval. Er zijn 8 bekdraden aanwezig, waarvan 4 op de onderkaak, 2 in de
hoeken van de bek en 2 op de kop. De stekels van de borstvinnen zijn aan de
binnenkant sterk getand. Er is een vetvin aanwezig.
Leefgebied: Ingeburgerd, zeldzaam. Oorspronkelijk
afkomstig uit Noord-Amerika. Komt plaatselijk voor in Noord-Brabant en Limburg.
Wordt ook wel aangetroffen in het Hollandse plassengebied en in wateren rond
Amsterdam. Wordt soms vrijgelaten uit aquaria.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, slakjes, visjes en soms
plantendelen.
Lengte tot circa: 45cm

Uiterlijk: Er zijn drie hardersoorten: De
diklip, de dunlip en de goudharder. De drie soorten vertonen een grote
gelijkenis. Er zijn 2 korte gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste 4 stekels
heeft. De brede bek is eindstandig.
Leefgebied: Harders, waarvan
de diklip het meest algemeen is, komen vooral in de kustwateren voor. De minder
algemene dunlip wordt ook wel sporadisch in het zoete water aangetroffen.
Voedsel: Hoofdzakelijk
algen.
Lengte tot circa:
70cm
Uiterlijk: De donaubrasem kan gemakkelijk worden verward met de kolblei.
Beide vissoorten hebben vrij grove schubben en grote ogen. De oogdiameter is
groter dan de afstand van het oog tot de punt van de bek. De bek is vrij stomp
en licht onderstandig. De anaalvin
is twee keer zo lang als die van de kolblei: er zijn meer dan 35 vinstralen
(kolblei: minder dan 20 vinstralen). Tenslotte is de donaubrasem duidelijk te herkennen aan zijn asymmetrische
staart: de onderste staartlob is duidelijk groter dan de bovenste.
Leefgebied: Uitheems; zeer
zeldzaam. Een
nieuwkomer in de Nederlandse rivieren, afkomstig uit het stroomgebied van de
Donau.
Voedsel: Insectenlarven, wormpjes, kleine kreeftachtige en
dierlijk plankton.
Lengten tot circa 35: cm.

Uiterlijk: Vóór de rugvin bevinden zich 2-4 stekels.
Rug- en anaalvin bevinden zich ver naar achteren. De
mannetjes hebben in de paaitijd een rode keel en buik en een blauw oog.
Lefgebied: Algemeen. Komt voor in zoete, brakke en zoute wateren. Een
deel van de driedoornige stekelbaarzen zwemt vanuit zee het binnenland in om te
paaien.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton.
Lengte tot circa.: 10cm

Uiterlijk: Kan worden verward met de Fint. Zwarte
schoudervlek, soms nog gevolgd door 1 of 2 zwarte vlekken. De ogen zijn bedekt
met een doorzichtig vlies. Het lichaam is hoger gebouwd dan dat van een Fint
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Deze trekvis is uit onze wateren verdwenen.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton
Lengte tot circa: 70cm

Uiterlijk: De bek is eindstandig.
Op de zijden bevinden zich donkere vlekken. De mannetjes tonen in de paartijd
een felgekleurd paaikleed.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Wordt plaatselijk in de Limburgse Geul en in
een beek op de Oostelijke Veluwe aangetroffen.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven en kleine kreeftachtige.
Lengte tot circa: 13cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: Lijkt veel op de Elft. Zwarte schoudervlek,
vaak gevolgd door een aantal zwarte stippen. De ogen zijn bedekt met een
doorzichtig vlies.
Leefgebied: Zeldzaam. Komt soms voor in zoete wateren die (via sluizen)
in zee uitmonden.
Voedsel: Bestaat voornamelijk uit dierlijk plankton en kleine vis.
Lengte tot circa: 55cm

Uiterlijk: De bek is eind stadig. De zijlijn is gebogen
en aan weerszijden omgeven door zwarte streepjes.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Reeds lang uit de
Nederlandse wateren (riviertjes en beken) verdwenen. Onlangs echter weer
ontdekt in enkele Limburgse beken.
Voedsel: insecten, insectenlarven, kleine kreeftachtige en wormpjes.
Lengte tot circa: 15cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: Op de zijlijn van de giebel of wilde goudvis
komen 28-31 schubben voor. De eerste vinstraal is tamelijk hard en getand. De
rand van de rugvin is hol ingesneden. De gekweekte goudvis is een
kleurvariëteit van de giebel.
Leefgebied: Ingeburgerd, vrij zeldzaam. De giebel wordt in ons land
plaatselijk aangetroffen in allerlei wateren.
Voedsel: Voornamelijk kleine diertjes en plantaardig materiaal.
Lengte tot circa: 45cm

Uiterlijk:
Als
giebel. Verspreiding Uitheems. Werd oorspronkelijk
in China en Japan gekweekt als goudkleurige variëteit van de giebel.
Leefgebied: Komt in ons land
voornamelijk als siervis voor in tuin- en parkvijvers. Ook vormvariëteiten van
de goudvis, zoals sluierstaarten, worden veelvuldig als siervis gehouden. Vaak
losgelaten of ontsnapt.
Voedsel:
Voornamelijk
kleine diertjes en plantaardig materiaal.
Lengte tot circa: 55 cm

Uiterlijk: Kan verward worden met de kopvoorn. Onder de
zijlijn liggen 5 rijen schubben. Onderscheid zich van de karper door het
ontbreken van bekdraden aan de stevige onderstaande bek en door de korte
rugvin.
Leefgebied: Uitheems, vrij zeldzaam. Oorspronkelijk afkomstig uit China.
Naar Nederland gehaald ten behoeve van waterplantenbeheer. Plant zich in ons
land niet voort.
Voedsel: Bij voorkeur (zachte) waterplanten.
Lengte tot circa: 120cm

Uiterlijk: Er is een vetvin aanwezig. De bek is vrijwel
onder stadig, de bovenkaak steekt voor de onderkaak uit. Op de zijlijn liggen
95-98 schubben.
Leeggebied: Uitheems, zeer zeldzaam. Wordt zo nu en dan in de
Nederlandse wateren aangetroffen..
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton.
Lengte tot circa: 70cm

Uiterlijk: De groot kopkarper
lijkt sterk op spiegelkarper. De groot kopkarper heeft
een kortere kiel onder de buik.
Leefgebied: Uitheems. Deze van oorsprong uit China afkomstige karper kan
in ons land worden aangetroffen. Via de grote rivieren komt een enkele maal een
uitgezet exemplaar van dit soort ons land binnen.
Voedsel: Voornamelijk algen.
Lengte tot circa: 100cm
Uiterlijk: 10 bekdraden aanwezig, waarvan 4 op de
onderlip, 2 in de hoeken van de bek en 4 op de bovenlip. Over het lichaam lopen
donkere banden in lengterichting.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt voor in vele wateren maar is zelden
talrijk.
Voedsel: Voornamelijk bodemdiertjes zoals wormpjes en insectenlarven.
Lengte tot circa: 25cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk:
Vorm
en kleur van de gup zijn vooral bij mannetjes zeer variabel.
Leefgebied: Uitheems; zeer
zeldzaam. Komt
oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. In ons land ingevoerd als aquariumvis. Losgelaten exemplaren handhaven zich in door koelwater verwarmde
wateren bij enkele industrieën en elektriciteitscentrales.
Voedsel:
Voornamelijk muggen larve en insectenlarven
Lengte tot circa: 3 cm vrouwtje tot
circa 6 cm

Uiterlijk: Lange vlezige neus boven kleine onder
stadige bek. 80-90 schubben op de zijlijn. Er is een vetvin aanwezig.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Kwam vroeger
voor in de grote rivieren, maar is nu verdwenen uit de Nederlandse
binnenwateren. Vanaf 1997 weer enkele meldingen in IJzelmeer en Waal.
Voedsel: Dierlijke organismen, met voorkeur voor dierlijk plankton.
Lengte tot circa: 50cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: In de Nederlandse wateren komen van de
karper 4 verschillende schubbig typen voor. Deze typen worden aangeduid als
schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper. Er zijn 4 bekdraden
aanwezig, waarvan 2 in de hoeken van de bek en 2 kortere op de bovenlip. De
rand van de rugvin is hol ingesneden. De voorste vinstraal van de rugvin is
stevig en getand.
De rijenkarper is van de andere karpertypen tot onderscheiden door het
voorkomen van een enkele rij grote schubben op de zijlijn. De naaktkarper
is van de andere karpertypen te onderscheiden doordat geen of slechts enkele
schubben aanwezig zijn.
Leefgebied: Ingeburgerd, algemeen. Komt door uitzettingen in veel
wateren voor.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kleine kreeftachtige, weekdieren
en wormpjes.
Lengte tot circa: 120cm

Uiterlijk: Grote, brede kop met
gezwollen wangen en lippen en een bovenstandige bek. Ogen dicht bij elkaar en
hoog in de kop geplaatst. Nek geschubd. Lichaam en kop roodbruin gemarmerd. De
bases van beide rugvinnen raken elkaar. Rugvinnen met horizontale roodbruine
banden op een lichtere ondergrond en zonder zwarte vlek. Buikvinnen
aaneengegroeid tot een zuignap, waarmee de vis zich kan vastzetten op een harde
ondergrond.
Leefgebied: Uitheems; zeldzaam. Zowel in zout als
zoet water. Komt van oorsprong uit de Kaspische- en de Zwarte Zee en het
stroomgebied van de Donau. Waarschijnlijk via het Main-Donaukanaal
is Kessler’s grondel nu ook verspreid in het
stroomgebied van de Rijn. In Nederland vooral in de grote rivieren.
Voedsel: Ongewervelde dieren, vooral kleine kreeftachtigen.
Lengten tot circa: 22 cm

Uiterlijk: Er is een vetvin aanwezig. Op de zijlijn
liggen 82-84 schubben. De bek is bovenstandig.
Leefgebied: Uitheems, zeer zeldzaam. Is in de 20e eeuw enkele malen in
ons land aangetroffen.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton;
Lengte tot circa: 30cm

Uiterlijk: Er zijn 6 korte bekdraden, waarvan 4 op de
bovenlip en 2 in de hoeken van de bek. Op de flanken ligt een rij grote
donkerbruine vlekken. Ook de kop, de rug en de rug- en staartvin zijn gevlekt.
Onder het oog bevindt zich een gevorkt stekeltje.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt plaatselijk, soms talrijk, voor in
uiteenlopende watertypen, maar heeft een voorkeur voor schone, heldere wateren.
Voedsel: Voornamelijk kleine diertjes zoals insectenlarven en wormpjes.
Lengte tot circa: 13cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: Wordt vaak verward met kleine exemplaren van
de brasem. Aantal rijen schubben boven de zijlijn bedraagt 8 tot 10. De
oogdiameter is groter dan de afstand van het oog tot de punt van de bek.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in allerlei watertypen.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kleine kreeftachtige, wormpjes en
dierlijk plankton.
Lengte tot circa: 35cm

Uiterlijk: Kan worden verward met de graskarper. Onder
de zijlijn liggen 3-4 rijen schubben. Het lichaam is cilindrisch, de kop
tamelijk plat en breed. De anaalvin is bolrond.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het
stroomgebied van de Limburgse Maas. Komt ook elders in
de grote rivieren en een aantal beken voor.
Voedsel: insecten, insectenlarven, weekdieren, soms plantendelen en
kleine vis.
Lengte tot circa: 65cm
Minimummaat: 30 cm
Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

Uiterlijk: Op de zijlijn liggen 33-36 schubben. De
rugvin is bolrond. De 5e of de 6e vinstraal is het langst. Bekdraden ontbreken.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt voor in stilstaande wateren met veel
plantengroei en een zachte bodem.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, plantendelen, dierlijk plankton en
slakjes.
Lengte tot circa: 50m
Uiterlijk: Onder de bek bevindt zich 1 kindraad. Er
zijn 2 rugvinnen waarvan de achterste (vinzoom) doorloopt tot aan de staartvin.
De buikvinnen bevinden zich voor de borstvinnen.
Leefgebied: Zeldzaam. Komt in kleine aantallen voor in met name het Utrechtse plassengebied, in Friesland en in
grote rivieren.
Voedsel:
Kreeftachtige en kleine vis.
Lengte tot circa:
60cm

Uiterlijk: De ogen staan hoog
in de kop. De neusopeningen vormen korte buisjes. Twee gescheiden rugvinnen,
waarvan de tweede rugvin is gevormd tot een langere vinzoom. De buikvinnen zijn
aaneengegroeid. Mannetjes in de voortplantingstijd zijn zwart van kleur. Heeft
wat weg van de rivierdonderpad. Gemarmerde tekening. De bek is gevormd tot een
bekspleet en is eindstandig. Leefgebied: Uitheems;
zeer zeldzaam. Zowel in zout als zoet water. Komt van oorsprong uit de
Kaspische- en de Zwarte Zee en het stroomgebied van de Donau. Via het Main-Donaukanaal of via ballastwater van schepen is de
gemarmerde grondel nu ook verspreid in het stroomgebied van de Rijn.
Voedsel: Bodemdiertjes als
kreeftachtige en insectenlarven.
Lengten tot circa: 11 cm
Uiterlijk: Er zijn 6 bekdraden aanwezig, waarvan 2 op
de onderkaak, 2 in de hoeken van de zeer brede bek en 2 lange sprieten op de
kop vóór de zeer kleine ogen. De opvallend kleine rugvin bevind
zich ver naar voren op het lichaam. Op het achterste deel van het lichaam is
aan de onderzijde een vinzoom aanwezig.
Leefgebied: Zeldzaam. Komt voor in de Westeinderplassen
en de daarmee in verbinding staande wateren. Wordt ook regelmatig in de
rivieren en op andere plaatsen gevangen.
Voedsel: Voornamelijk vis.
Lengte tot circa: 250cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: De rugvin bestaat uit een gedeelte met harde
stekels en een gedeelte met zachte stekels. Het lichaam, inclusief de staart-
en rugvin is getekend met donkere vlekjes
Leefgebied: Algemeen. Komt met name in de
grotere wateren en het IJzelmeer voor.
Voedsel: Hoofdzakelijk insectenlarven en kleine kreeftachtige.
Lengte tot circa.: 20cm

Uiterlijk: De bovenkaak loopt door tot ver achter het
oog. De voorrand van de buik-, borst- en anaal vinnen
is lichtgekleurd met zwarte omranding. De staartvin is
eveneens zwart omrand. Er is een vetvin aanwezig. De rug is gemarmerd
licht/donker getekend.
Leefgebied: Uitheems. Komt oorspronkelijk uit Noord Amerika. Uitgezette
exemplaren soms in Geul en Maas.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeftachtige en soms
kleine vissen.
Lengte tot circa: 5cm
Minimummaat: 25 cm

Uiterlijk: De 2 rugvinnen grenzen aan elkaar, het
achterste deel is beduidend langer dan het voorste deel. Op het kieuwdeksel
bevindt zich een omhoog wijzend stekeltje. De ogen liggen dicht bij elkaar
boven op de kop. Schubben ontbreken.
Leefgebied: Vrij
zeldzaam. Komt in geringe aantallen voor in beken. Heeft een voorkeur voor een
harde, stenige bodem. In groter aantal te vinden in grote rivieren en meren met
stenen oevers.
Voedsel: Hoofdzakelijk insectenlarven, wormpjes en kleine kreeftachtige.
Lengte tot ca.: 15cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet
Riviergrondel
Uiterlijk: De bek is onderstandig. Er zijn 2
bekdraden aanwezig, 1 in elke hoek van de bek
Leefgebied:
Algemeen. Komt niet alleen voor, in rivieren, maar ook plaatselijk
in diverse stilstaande wateren.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven en wormpjes.
Lengte tot circa: 20cm
Uiterlijk: De zuigbek is voorzien van een raspschijf,
deze is bezet met een klein aantal tandjes. Er zijn aan elke zijde 7 kieuwopeningen.
De zijden en de buik zij zilverkleurig. Bij geslachtsrijpe dieren is de rug
egaal zwart.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt in gering aantal voor in de rivieren en
beken. Wordt in zoetwater geboren maar trekt na 3 a 4 jaar naar zee en groeit
daar verder op. Keert na enkele jaren weer terug naar het zoete water om zich
daar voort te planten.
Voedsel: Volwassen prik leeft als parasiet op andere vissen in brak en
zout water.
Lengte circa: 40cm
Minimummaat: 15 cm
Valt
onder de Flora- en Faunawet

Uiterlijk: De punt van de onderkaak valt in een kuiltje
van de bovenkaak. De brede, schuin omhoog gerichte, bek loopt door tot onder
het oog.
Leefgebied: Uitheems, zeldzaam. Komt van oorsprong uit het stroomgebied
van de Doña en Oost Europa. Wordt steeds vaker in de grote rivieren en daarmee
verbonden wateren gevangen.
Voedsel: insecten, insectenlarven en vis.
Lengte tot circa: 100cm

Uiterlijk: De bek is bovenstandig. Voorzijde rugvin
duidelijk achter voorzijde buikvinnen.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in ondiepe plantenrijke wateren.
Voedsel: Voornamelijk insecten en insectenlarven, soms plantdelen.
Lengte tot circa: 45cm
Minimummaat: 15 cm
Uiterlijk: Vijf rijen beenplaten; aantal
beenplaten per rij: 7-19 op de rugzijde, 24-44 op de flanken en 6-13 op de buikzijde.
Geen
beenplaten links en rechts van de basis van de anaalvin
aanwezig; inplanting van gladde bekdraden dichter bij de korte snuitpunt dan
bij de bek. Verder als bij de Atlantische steur.
Leefgebied: Uitheems, zeldzaam. Zowel in zout als zoet
water. Komt van oorsprong voor in Eurazië: Zwarte Zee, Zee van Azov en Kaspische Zee en hun rivieren. De Russische steur
is evenals de andere uitheemse steuren in Nederland geïntroduceerd via
uitzettingen van tuinvijver- en aquariumliefhebbers en ontsnappingen uit
sierviskwekerijen en –handels. Komt in Nederland vooral voor in rivieren.
Voedsel: Bodemdiertjes als
mossels, kreeftachtigen en kleine visjes.
Lengten tot Circa: 235 cm

Uiterlijk: Kan worden verward met de blankvoorn. De bek
is onder stranding. De rand van de rug- en anaalvin
is hol ingesneden. De iris is geelachtig.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt voor in rivieren en beken, maar is daar
sterk achteruit gegaan.
Voedsel: insecten, insectenlarven en andere kleine diertjes.
Lengte tot circa: 30cm
Minimummaat: 15 cm
Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei
Uiterlijk: De beenplaten op de
flanken hebben dezelfde kleur als het lichaam. Vijf rijen beenplaten; aantal
beenplaten per rij: 10-19 op de rugzijde, 32-59 op de flanken en 7-16 op de
buikzijde. Met kleine, stervormige beenplaatjes tussen de grote. Geen
beenplaten achter de rugvin en achter de anaalvin
aanwezig. Verder als bij de Atlantische steur.
Leefgebied: Uitheems, zeldzaam.
Zowel in zout als zoet water. Komt van oorsprong voor in de voormalige Sovjet
Unie (Siberië) en Azië. De Siberische steur is evenals de andere uitheemse
steuren in Nederland geïntroduceerd via uitzettingen van tuinvijver- en
aquariumliefhebbers en ontsnappingen uit sierviskwekerijen en –handels. Komt in
Nederland vooral voor in rivieren.
Voedsel: Bodemdiertjes als
insectenlarven, wormen en kreeftachtigen.
Lengten tot circa: 200 cm

Uiterlijk: De bek is onder stadig
en ligt onder een vooruitstekende neus. De hoornig, hard aanvoelende lippen vormen een vrijwel rechte spleet. Op de
zijlijn liggen 56-61 schubben.
Leefgebied:
Zeldzaam. Wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het
stroomgebied van de Limburgse Maas .
Voedsel: De sneep schraapt het voedsel van de stenen, bestaande uit
algen en kleine diertjes. Lengte tot circa: 50cm
Minimummaat: 30 cm
Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

Uiterlijk: Anaalvin en rugvin
bevinden zich ver achterwaarts op het lichaam. De kop loopt uit in een platte
brede bek. Het lichaam is getekend met goudkleurige stippen of strepen.
Leefgebied: Algemeen. De snoek heeft een voorkeur voor heldere wateren,
omgeven door plantenrijke oeverzones.
Voedsel: Zijn prooi bestaat hoofdzakelijk uit vis.
Lengte tot circa: 140cm
Minimummaat: 45 cm
Gesloten tijd: 1 maart t/m 30 juni

Uiterlijk: De 2 rugvinnen zijn gescheiden, waarvan de
voorste uitsluitend harde stekels heeft. De bovenkaak loopt door tot achter het
violet oplichtende oog.
Leefgebied: Ingeburgerd, algemeen. Komt voor in troebele en diepe
heldere wateren. Heeft daarbij voorkeur voor een stevige bodem.
Voedsel: Hoofdzakelijk kleine vis.
Lengte tot ca.: 120cm
Minimummaat: 42 cm
Gesloten tijd: van 1 april tot de laatste zaterdag van mei

Uiterlijk: De spiegelkarper is van de andere
karpertypen te onderscheiden doordat over het gehele lichaam een aantal
onregelmatig geplaatste schubben van verschillende grootte voorkomen.
Leefgebied: Ingeburgerd, algemeen. Komt door uitzettingen in veel
wateren voor.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kleine kreeftachtige, weekdieren
en wormpjes.
Lengte tot circa: 120cm
Uiterlijk: Er is een vetvin aanwezig. De bek is
bovenstandig. De spiering heeft een kenmerkende komkommergeur.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt wel algemeen voor in de kustprovincies,
het IJzelmeer en de daarmee in verbindingstaande wateren. Ook in de Waddenzee
en de kustwateren leeft Spiering.
Voedsel: Dierlijk plankton en kleine kreeftachtige. Grote Spiering eet
ook wel vis, meestal kleine soortgenoten.
Lengte tot circa: 20cm

Uiterlijk: Snuit met lange
bekdraden met franjes. Vijf rijen beenplaten; aantal beenplaten per rij: 12-17
op de rugzijde, meer dan 57 op de flanken en 10-19 op de buikzijde. Geen
beenplaten achter de rugvin en achter de anaalvin
aanwezig. De beenplaten op de flanken hebben een lichtere kleur dan het
lichaam. Verder als bij de Atlantische steur.
Leefgebied: Uitheems, zeldzaam.
Zowel in zout als zoet water. Komt van oorsprong voor in Eurazië: Zwarte Zee,
Kaspische Zee, Witte Zee en de Zee van Azov. De
sterlet is evenals de andere uitheemse steuren in Nederland geïntroduceerd via
uitzettingen van tuinvijver- en aquariumliefhebbers en ontsnappingen uit
sierviskwekerijen en –handels. Komt in Nederland vooral voor in rivieren.
Voedsel: Bodemdiertjes als insectenlarven, wormen en kreeftachtigen.
Lengten tot circa: 125 cm
Uiterlijk: 4 Bekdraden bij de uitstulp baren, onder stadige
bek In plaats van schubben zijn er 5 rijen beenplaten aanwezig. De bovenste
staartlob is groter dan de onderste.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Leeft als trekvis in zoet en zout
water, maar is uit onze binnenwateren als populatie verdwenen. In de Noordzee
wordt nog zeer sporadisch een steur gevangen. In de binnenwateren worden
regelmatig ontsnapte of uitgezette exemplaren van gekweekte steursoorten
aangetroffen. (Sterlet, Siberische en Russische steur) (Het onderscheid is
moeilijk)
Voedsel: Hoofdzakelijk kleine bodemdiertjes.
Lengte
tot circa: 4m
Valt
onder de Flora- en Faunawet
Uiterlijk: Vóór de rugvin bevinden zich 9-11 stekels.
De buik is zilverkleurig. Rug- en anaalvin bevinden
zich ver naar achteren
Leefgebied: Algemeen. Heeft een voorkeur voor kleine, plantenrijke
wateren.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton.
Lengte tot ca.: 7cm
Uiterlijk: Op het zichtbare gedeelte van de zeer korte
zijlijn liggen 7-13 schubben. De bek is bovenstandig.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt plaatselijk in groter aantal voor,
zowel in kleine stilstaande wateren als in grote plassen.
Wordt ook gevonden in beken en kleine rivieren. De aanwezigheid van het vetje wordt vaak niet opgemerkt.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton en plantaardig materiaal.
Lengte tot circa: 12cm

Uiterlijk: De rugvin (vlag) is zeer lang en hoog. Op
het lichaam komen zwarte stippen voor. Er is een vetvin aanwezig. De vis ruikt
naar tijm.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Kwam incidenteel in de Nederlandse beken
voor. In een klein aantal beken wordt getracht door
uitzetting een natuurlijke vlagzalmstand terug te krijgen.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, en kleine vis.
Lengte tot circa: 50cm
Minimummaat: 35 cm
Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

Uiterlijk: De kleine bek is eind stadig. De rand van de
anaalvin is ingesneden. Op de zijlijn liggen 56-61
schubben.
Leefgebied: Algemeen. Vooral in het IJzelmeer en aangrenzende wateren,
in de Biesbosch en het Haringvliet en elders in de
grote rivieren. Kan door uitzetting ook voorkomen in afgesloten wateren.
Voedsel: insecten, kleine kreeftachtige en soms ook kleine witvis.
Lengte tot circa: 80cm
Minimummaat: 30 cm
Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei
Uiterlijk: De bek is onderstandig. Er zijn twee bekdraden aanwezig, één in elke
hoek van de bek. Naar achteren gevouwen reiken de bekdraden tot achter de
oogrand. Lijkt erg op de inheemse riviergrondel (Gobio
gobio), maar verschilt door de langere bekdraden.
Leefgebied: Uitheems; zeer
zeldzaam. Oorspronkelijk
in rivieren die uitmonden in de Zwarte- en Kaspische Zee. Tegenwoordig in Rijn
en Maas, waarschijnlijk ook in Nederland.
Voedsel: Ongewervelde bodemdiertjes en algen.
Lengten tot circa: 14 cm
Uiterlijk: Er is een vetvin aanwezig. Tussen de
achterkant van de vetvin en de zijlijn liggen 10-13 rijen schubben. De
bovenkaak loopt door tot achter het oog.
Leefgebied: Zeldzaam. Zalm trekt vanuit zee de rivieren op om zich in
de beken aan de bovenloop voort te planten. Uit de Nederlandse rivieren is de
zalmstand verdwenen. Wordt zo u en dan nog wel eens aangetroffen.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeftachtige en vis
Lengte tot circa: 150cm
Minimummaat: 40 cm
Gesloten tijd: het gehele jaar

Uiterlijk: Kan worden verward met de zalm. Heeft een
vetvin. Tussen de achterkant van de vetvin en de zijlijn liggen 14-17 rijen
schubben. De bovenkaak loopt door tot achter het oog. Op het lichaam komen
zwarte, min of meer kruisvormige, vlekjes voor.
Leefgebied: Zeldzaam. Wordt in toenemende mate aangetroffen in het
IJzelmeer en de rivieren, maar komt meer voor langs de Noordzeekust en de
Wadden.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kreeftachtige en vis.
Lengte tot circa: 120cm
Minimummaat: 40 cm
Gesloten tijd: het gehelenjaar

Uiterlijk: De iris van het oog is oranje gekleurd. De
vinnen zijn bolrond. Er zijn 2 korte bekdraden aanwezig. Onder de dikke slijmhuid
bevinden zich op de zijlijn 95-120 kleine schubben.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in wateren met veel plantengroei en een
zachte bodem.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, wormen en slakjes.
Lengte tot circa: 60cm
Minimummaat: 25 cm
Uiterlijk: De zuigbek is
voorzien van een raspschijf, deze is bezet met een klein aantal tandjes. Er
zijn aan elke zijde 7 kieuwopeningen. Het lichaam is
licht/donker gevlekt.
Leefgebied: Zeldzaam. Trekt
vanuit de zee de rivieren op om te gaan paaien.
Voedsel: Volwassen prik leeft als parasiet op andere vissen in brak en
zout water.
Lengte tot circa: 90cm

Uiterlijk: De spiegelkarper lijkt sterk op groot
kopkarper.
Leefgebied: Uitheems. Deze van oorsprong uit China afkomstige karper
kan in ons land worden aangetroffen. Via de grote rivieren komt een enkele maal
een uitgezet exemplaar van dit soort ons land binnen.
Voedsel: Voornamelijk algen.
Lengte tot circa: 100cm

Uiterlijk: Op het kieuwdeksel bevindt zich vaak een
oranje rode, zwart omrande vlek. De rugvin bestaat uit één geheel, waarin
echter een gedeelte met harde stekels en een hoger gedeelte met zachte stekels
zijn te onderscheiden. Het lichaam is opvallend getekend met blauwachtige
flanken, bezet met geelbruine en rode vlekjes.
Leefgebied: Ingeburgerd, zeldzaam. Komt uit Noord Amerika. Wordt in ons
land voornamelijk aangetroffen in vennen en plantenrijke wateren in Noord
Brabant. Verder op sommige plaatsen in en langs de Limburgse Maas en in Noord-
en Zuid Holland.
Voedsel: Hoofdzakelijk dierlijk plankton, insecten(larven)
en visbroed.
Lengte tot ca.: 15cm
Uiterlijk: Evenals de
rivierdonderpad en de marmergrondel heeft de zwartbekgrondel
de ogen hoog in de kop staan. In tegenstelling tot de bruingekleurde
marmergrondel en rivierdonderpad is deze vis geelgrijs van kleur en heeft een
geblokte tekening. De buikvinnen zijn aaneengegroeid tot een zuigschijf,
waarmee de vis zich kan “vastzetten” op een stenige ondergrond. Achterin de voorste rugvin is een duidelijke zwarte vlek
aanwezig. Mannetjes zijn tijdens de voortplantingstijd zwart van kleur.
Leefgebied: Uitheems, zeldzaam.
Zowel in zout als zoet water.
Komt van oorsprong voor in de Zwarte Zee, Kaspische Zee en de Zee
van Azov. Mogelijk is de zwartbekgrondel
in Nederland geïntroduceerd via de lozing van ballastwater van schepen. Komt in
Nederland vooral voor in de benedenloop van de grote rivieren en de mondingen
daarvan.
Voedsel: Bodemdiertjes als
mossels, kreeftachtigen, wormen en kleine vissen.
Lengten tot circa: 25 cm

Uiterlijk: Kan worden verward met de bruine Amerikaanse
dwergmeerval. SDe buitenste rand van de anaalvin steekt donker af bij de rest van de anaalvin. Er zijn 8 bekdraden aanwezig, waarvan 4 op de
onderkaak, 2 in de hoeken van de bek en 2 op de kop. De stekels van de
borstvinnen zijn aan de binnenkant niet of zwak getand. Er is een vetvind aanwezig.
Leefgebied:
Uitheems, zeer zeldzaam. Oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. Er zijn
slechts enkele waarnemingen bekend.
Voedsel:
Insectenlarven, slakjes, visjes en plantendelen.
Lengte tot circa:
35cm