Vissoorten

Overzicht van zoetwatervissen die in de Nederlandse wateren voorkomen. Er wordt een korte omschrijving gegeven over de herkenning van de vis, de verspreiding ervan en het voedsel dat ze in hun natuurlijke omgeving eten. De minimummaat en gesloten vis tijd.En Of de soort onder de Flora0 Faunawet vallen. Deze dienen na eventuele vangst onmiddellijk in het zelfde water te worden teruggezet. Het aangewezen aassoorten zijn Brood, Aardappel, Deeg, Kaas, Granen, Zaden, Worm, Steurkrab, Insecten, Insectenlarven (maden) en nabootsingen daarvan, mits niet groter dan 2,5 cm. Gesloten tijd aassoort: van 1 april tot de laatste zaterdag van mei met Worm of nabootsing daarvan, stukjes vis, dood visje, slachtproducten, alle soorten van kunstvliegen kleiner dan 2,5 cm en het is in het hele jaar verboden alle levend vissen als aas bij binnen- en kunstvisserij Het verbod geld ook voor het gebruik van andere gewervelde dieren. Made en Wormen zijnals aas toegestaan.

Aal of Paling

Afrikaanse Meerval

Alver

Amerikaanse Hondsvis

Baars

Barbeel

Beekforel

Beekprik

Beekridder

Bermpje

Bittervoorn

Blankvoorn

Blauwband

Blauwneus

Bot

Braasem

Bronforel

Bruine Amerikaanse Dwergmeerval

 

Diklip Harder

Donaubrasem

Driedoornige Stekelbaars

Elft

Elrits

Fint

Gestippelde Alver

Giebel

Goudvis

Graskarper

Groot Kopkarper

Grote Marene

Grote Modderkruiper

Gup

Houting

Karper

Kesslers Grondel

Kleine Marene

 

Kleine Modderkruiper

Kolblei

Kopvoorn

Kroeskarper

Kwabaal

Marmergrondel

Meerval

Pos

Regenboogforel

Rivier Donderpad

Rivierprik

Roofblei

Ruisvoorn / Rietvoorn

Russische Sleur

Serpeling

Siberische Steur

Sneep

Snoek

Snoekbaars

Spiegelkarper

Spiering

Sterlet

Steur

Tiendoornige Stekelbaars

Vetje

Vlagzalm

Winde

Witvingrondel

Zalm

Zeeforel

Zeelt

Zeeprik

Zilverkarper

Zonnebaars

Zwartbekgrondel

Zwarte Amerikaanse Dwergmeerval

 

Terug vorige pagina

 

Aal of Paling

Uiterlijk: Het lichaam is slangachtig van vorm. De borstvinnen bevinden zich direct achter de kop. Op het achterste deel van het lichaam is, zowel onder als boven, een vinzoom aanwezig die uitloopt in de staartpunt. Buikvinnen ontbreken.
Leefgebied: Algemeen. Trekt meestal als glasaal van circa. 6 cm lengte vanuit zee de binnenwateren in. Volwassen exemplaren trekken terug naar zee om zich voort te planten. De glasaalintrek is tegenwoordig sterk verminderd.
Voedsel: het voorkeursvoedsel bestaat uit insectenlarven en kleine kreeftachtige. Grote exemplaren eten ook wel visjes en weekdieren.

Lengte tot circa: 125cm

Minimummaat: 28 cm

Gesloten tijd: het gehele jaar

 

Afrikaanse Meerval

Uiterlijk: De afgeplatte kop telt 8 bekdraden aanwezig.
Leefgebied: Uitheems. Wordt op enkele plaatsen in ons land gekweekt. Is in het recente verleden in een aantal wateren terecht gekomen. De overlevingskans in de winter is nihil.
Lengte tot circa: 130cm

Bovenkant document

Alver

Uiterlijk: De bek is bovenstandig. Op de zijlijn liggen 48-55 schubben. De kleur is opvallend zilverachtig.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt met name in de rivieren meer algemeen voor.
Voedsel: insecten, insectenlarven en dierlijk plankton.
Lengte to circa: 25cm

 

Amerikaanse Hondsvis

Uiterlijk: Over de staartwortel loopt een donkere band. De vinnen bij de staartvin zijn bolrond. De rugvin ligt ver naar achteren.
Leefgebied: Uitheems zeldzaam. Komt oorspronkelijk uit Noord Amerika. In Noord-Brabant en Limburg plaatselijk vrij algemeen aanwezig in vennen en beken. Is goed bestand tegen verzuring van het water.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, wormpjes, kleine kreeftachtige en visbroed.

Lengte tot circa: 15cm

Bovenkant document

Baars

Uiterlijk: De 2 rugvinnen zijn gescheiden, waarvan de voorste uitsluitend harde stekels heeft. Op de achterzijde van de voorste rugvin bevindt zich een zwarte vlek. Over het lichaam lopen een aantal verticale, donker banden.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in niet te troebele wateren.
Voedsel: Eet allerlei dierlijk voedsel, maar boven een lengte van 15cm vooral vis.
Lengte tot circa: 50cm

Minimummaat: 22 cm

Gesloten tijd: van 1 april tot de laatste zaterdag van mei

 

Barbeel

Uiterlijk: De bek is onder stadig met dikke uitstulp bare lippen. Er zijn 4 bekdraden aanwezig, waarvan 2 op de bovenlip en 1 in elke hoek van de bek. De rand van de rugvin is hol ingesneden.
Leefgebied: Zeldzaam. Wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het stroomgebied van de Limburgse Maas, maar komt in andere grote rivieren ook voor.

Voedsel: Vooral insectenlarven, wormpjes en weekdieren.

Lengte tot circa: 70cm

Minimummaat: 30 cm

Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

Bovenkant document

Beekforel

Uiterlijk: op het lichaam komen rode en zwarte vlekken voor, die meestal blauw of wit zijn omzoomd. Bovengenoemde vlekken ontbreken op de staartvin. Er is een vetvin aanwezig.
Leefgebied: Zeldzaam. In verschillende beken wordt getracht door uitzettingen een natuurlijke forellenstand terug te krijgen. Ook komt beekforel door uitzettingen voor in het Veerse meer.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeft kreeftachtige soms kleine vissen.

Lengte tot circa: 100cm

Minimummaat: 25 cm

Gesloten tijd: van 1 oktober tot en met 31 maart

 

Beekprik

Uiterlijk: De zuigbek van een volwassen beekprik is voorzien van een raspschijf, deze is bezet met een klein aantal, nauwelijks zichtbare tandjes. Er zijn aan elke zijde 7 kieuwopeningen. De beide rugvinnen zijn vrijwel aaneengegroeid.
Leefgebied: Zeldzaam. Komt plaatselijk voor in beken. De larve van de beekprik (herkenbaar door het ontbreken van de ogen) leeft vrijwel geheel ingegraven in de bodem.
Voedsel: Larven en andere kleine voedseldeeltjes, die ze uit het langsstromende water filteren. Volwassen exemplaren voeden zich niet en leven slechts enkele maanden.

Lengte tot circa: 16 cm

Bovenkant document

 

Beekridder

Uiterlijk: Het slanke, bij oudere vissen iets gedrongen lichaam is met zeer kleine schubben bedekt. De met vele tandjes bezette bek is gespleten tot achter de grote, barnsteenkleurige ogen. De voorste rand van de borst- en bukvinnen en de aasvin heeft meestal een witte zoom die, in tegenstelling tot de bronforel, niet met een zwarte rand zijn afgezet. De rugvin en duidelijke holle staartvin zijn grijs, vaak met een rode zweem. De vetvin, het typische kenmerk van de Ontbreekt niet, maar is wel opvallend klein.
Leefgebied: Zeldzaam. Zeer noordelijk verspreiding Lapland, IJsland, Schotland en Groenland en in kleinen vorm in bergmeren in de Alpen.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeft kreeftachtige soms kleine vissen.

Lengte tot circa: 100 cm

Minimummaat: 25 cm

Gesloten tijd: van 1 oktober tot en met 31 maart

Valt onder de Flora- en Faunawet

 

Bermpje

Uiterlijk: Er zijn 6 bekdraden van ongelijke lengte aanwezig, waarvan 4 op de bovenlip en 2 in de hoeken van de bek. Lichaam en vinnen zijn onregelmatig vaag gevlekt. De voorzijde van de rugvin bevindt zich vóór de voorzijde van de buikvinnen.

Leefgebied: Vrij zeldzaam. Het bermpje komt in veel beken op zandgrond vrij talrijk voor.
Voedsel: Voornamelijk kleine diertjes zoals insectenlarven en wormpjes.

Lengte tot circa: 15cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

 

Bittervoorn

Uiterlijk: Op de korte, onvolledige zijlijn liggen 34-38 schubben. Op de achterzijde van het lichaam bevindt zich een horizontale blauw groene streep. In het voorjaar zijn de vrouwtjes in het bezit van een zogenaamde legbuis.

Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt plaatselijk in groter aantal voor in schone stilstaande wateren. De bittervoorn is voor de voortplanting afhankelijk van de aanwezigheid van grote zoetwater mosselen. Voedsel: Voornamelijk plantaardig materiaal, dierlijk plankton en insectenlarven.

Lengte tot circa: 10cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

Bovenkant document

Blankvoorn

Uiterlijk: De bek is eindstand. Boven in het oog bevind zich een rode vlek. Voorzijde rugvin boven voorzijde buikvinnen. Op de zijlijn liggen 43-47 schubben.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in allerlei watertypen.
Voedsel: Voornamelijk slakjes en insectenlarven, soms plantdelen.

Lengte tot circa: 45cm

 

Blauwband

Uiterlijk: De bek is bovenstandig. Er is een, niet altijd goed zichtbare, donkere band van de neus tot aan de staart. Mannetjes zijn domkerder van kleur, in de paaitijd staalblauw. Kop en kieuwdeksels zijn dan violet en roodachtig.
Leefgebied: Uitheems, zeer zeldzaam. Vissoort uit oost-Azië. Breidt zich naar het westen uit. Is aangetroffen in beken en andere wateren in Noord-Limburg en in Maas en Rijn
Voedsel: Kleine kreeftachtigen, slakjes en algen.
Lengte tot circa: 7cm

Bovenkant document

Blauwneus

Uiterlijk: De blauwneus heeft een vlezige snuit. Het voorste gedeelte van de kop heeft een donkere, blauwachtige schijn. De anaal vin is langer dan bij de sneep, er zijn 20 tot 25 vinstralen. De onderstand bek is hoefijzervormig. In de paaitijd heeft de blauwneus een blauwzwarte bovenzijde en buik en vinnen worden oranjerood.

Leefgebied: Uitheems, zeer zeldzaam. Uit Oost europa afkomstige riviervis, waarvan exemplaren gevangen zijn in de Neder Rijn, het Rotterdamse havengebied en enkele Limburgse beken.

Voedsel: Allerlei bodemdiertjes.

Lengte tot circa: 50cm

 

Bot

Uiterlijk: De bek en de ogen van deze platvis staan scheef op de kop. De rug- en anaalvin zijn zeer lang. Op de zijlijn en op de basis van de rug- en anaalvin komen kleine beenknobbeltjes voor, die ruw aanvoelen als men hierover van staart naar kop strijkt.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt voor in zee en in brakke tot zoete wateren, die in zee uitmonden. Trekt als een- of tweejarige vis de zeeopeningen in.
Voedsel: Hoofdzakelijk kleine kreeftachtige, wormpjes en kleine vis.

Lengte tot ca.: 50cm

Minimummaat: 20 cm

Bovenkant document

Brasem

Uiterlijk: Kleine exemplaren kunnen verward worden met de kolblei. Aantal rijen schubben boven de zijlijn bedraagt 12 tot 14. De oogdiameter is kleiner dan de afstand van het oog tot de punt van de bek. De bek is onderstand en ver uitstulpbaar.

Leefgebied: Algemeen. Komt voor in allerlei watertypen.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kleine kreeftachtige en wormpjes.

Lengte tot circa: 80cm

 

Bronforel

Uiterlijk: Over het gehele lichaam verspreid, inclusief de vinnen maar uitgezonderd de buik, komen zwarte stippen voor. Over beide zijden loopt een horizontale purperen band. Er is een vetvin aanwezig.
Leefgebied: Uitheems, vrij zeldzaam. Komt oorspronkelijk uit Noord Amerika. Wordt uitgezet in o.a. het brakke Veerse meer en sommige andere Delta - wateren. Uitzetting vindt ook plaats in kleine intensief beviste hengelwateren.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeftachtige en soms kleine vissen.

Lengte tot circa: 100cm

Minimummaat: 25 cm

Gesloten tijd: van 1 oktober tot en met 31 maart

Bovenkant document

Bruine Amerikaanse Dwergmeerval

Uiterlijk: Kan worden verward met de zwarte Amerikaanse dwergmeerval. Er zijn 8 bekdraden aanwezig, waarvan 4 op de onderkaak, 2 in de hoeken van de bek en 2 op de kop. De stekels van de borstvinnen zijn aan de binnenkant sterk getand. Er is een vetvin aanwezig.

Leefgebied: Ingeburgerd, zeldzaam. Oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. Komt plaatselijk voor in Noord-Brabant en Limburg. Wordt ook wel aangetroffen in het Hollandse plassengebied en in wateren rond Amsterdam. Wordt soms vrijgelaten uit aquaria.

Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, slakjes, visjes en soms plantendelen.

Lengte tot circa: 45cm

 

Diklip Harder

Uiterlijk: Er zijn drie hardersoorten: De diklip, de dunlip en de goudharder. De drie soorten vertonen een grote gelijkenis. Er zijn 2 korte gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste 4 stekels heeft. De brede bek is eindstandig.
Leefgebied: Harders, waarvan de diklip het meest algemeen is, komen vooral in de kustwateren voor. De minder algemene dunlip wordt ook wel sporadisch in het zoete water aangetroffen.
Voedsel: Hoofdzakelijk algen.
Lengte tot circa: 70cm

Bovenkant document

Donaubrasem

Uiterlijk: De donaubrasem kan gemakkelijk worden verward met de kolblei. Beide vissoorten hebben vrij grove schubben en grote ogen. De oogdiameter is groter dan de afstand van het oog tot de punt van de bek. De bek is vrij stomp en licht onderstandig. De anaalvin is twee keer zo lang als die van de kolblei: er zijn meer dan 35 vinstralen (kolblei: minder dan 20 vinstralen). Tenslotte is de donaubrasem duidelijk te herkennen aan zijn asymmetrische staart: de onderste staartlob is duidelijk groter dan de bovenste.

Leefgebied: Uitheems; zeer zeldzaam. Een nieuwkomer in de Nederlandse rivieren, afkomstig uit het stroomgebied van de Donau.

Voedsel: Insectenlarven, wormpjes, kleine kreeftachtige en dierlijk plankton.

Lengten tot circa 35: cm.

 

Driedoornige stekelbaars

Uiterlijk: Vóór de rugvin bevinden zich 2-4 stekels. Rug- en anaalvin bevinden zich ver naar achteren. De mannetjes hebben in de paaitijd een rode keel en buik en een blauw oog.
Lefgebied: Algemeen. Komt voor in zoete, brakke en zoute wateren. Een deel van de driedoornige stekelbaarzen zwemt vanuit zee het binnenland in om te paaien.

Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton.

Lengte tot circa.: 10cm

Bovenkant document

Elft

Uiterlijk: Kan worden verward met de Fint. Zwarte schoudervlek, soms nog gevolgd door 1 of 2 zwarte vlekken. De ogen zijn bedekt met een doorzichtig vlies. Het lichaam is hoger gebouwd dan dat van een Fint
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Deze trekvis is uit onze wateren verdwenen.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton

Lengte tot circa: 70cm

 

Elrits

Uiterlijk: De bek is eindstandig. Op de zijden bevinden zich donkere vlekken. De mannetjes tonen in de paartijd een felgekleurd paaikleed.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Wordt plaatselijk in de Limburgse Geul en in een beek op de Oostelijke Veluwe aangetroffen.

Voedsel: Voornamelijk insectenlarven en kleine kreeftachtige.

Lengte tot circa: 13cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

Bovenkant document

Fint

Uiterlijk: Lijkt veel op de Elft. Zwarte schoudervlek, vaak gevolgd door een aantal zwarte stippen. De ogen zijn bedekt met een doorzichtig vlies.
Leefgebied: Zeldzaam. Komt soms voor in zoete wateren die (via sluizen) in zee uitmonden.
Voedsel: Bestaat voornamelijk uit dierlijk plankton en kleine vis.

Lengte tot circa: 55cm

 

Gestippelde Alver

Uiterlijk: De bek is eind stadig. De zijlijn is gebogen en aan weerszijden omgeven door zwarte streepjes.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Reeds lang uit de Nederlandse wateren (riviertjes en beken) verdwenen. Onlangs echter weer ontdekt in enkele Limburgse beken.
Voedsel: insecten, insectenlarven, kleine kreeftachtige en wormpjes.

Lengte tot circa: 15cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

Bovenkant document

Giebel

Uiterlijk: Op de zijlijn van de giebel of wilde goudvis komen 28-31 schubben voor. De eerste vinstraal is tamelijk hard en getand. De rand van de rugvin is hol ingesneden. De gekweekte goudvis is een kleurvariëteit van de giebel.
Leefgebied: Ingeburgerd, vrij zeldzaam. De giebel wordt in ons land plaatselijk aangetroffen in allerlei wateren.
Voedsel: Voornamelijk kleine diertjes en plantaardig materiaal.

Lengte tot circa: 45cm

 

Goudvis

Uiterlijk: Als giebel. Verspreiding Uitheems. Werd oorspronkelijk in China en Japan gekweekt als goudkleurige variëteit van de giebel.

Leefgebied: Komt in ons land voornamelijk als siervis voor in tuin- en parkvijvers. Ook vormvariëteiten van de goudvis, zoals sluierstaarten, worden veelvuldig als siervis gehouden. Vaak losgelaten of ontsnapt.

Voedsel: Voornamelijk kleine diertjes en plantaardig materiaal.

Lengte tot circa: 55 cm

Bovenkant document

Graskarper

Uiterlijk: Kan verward worden met de kopvoorn. Onder de zijlijn liggen 5 rijen schubben. Onderscheid zich van de karper door het ontbreken van bekdraden aan de stevige onderstaande bek en door de korte rugvin.
Leefgebied: Uitheems, vrij zeldzaam. Oorspronkelijk afkomstig uit China. Naar Nederland gehaald ten behoeve van waterplantenbeheer. Plant zich in ons land niet voort.
Voedsel: Bij voorkeur (zachte) waterplanten.

Lengte tot circa: 120cm

 

Grote Marene

Uiterlijk: Er is een vetvin aanwezig. De bek is vrijwel onder stadig, de bovenkaak steekt voor de onderkaak uit. Op de zijlijn liggen 95-98 schubben.
Leeggebied: Uitheems, zeer zeldzaam. Wordt zo nu en dan in de Nederlandse wateren aangetroffen..
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton.

Lengte tot circa: 70cm

Bovenkant document

Groot Kopkarper

Uiterlijk: De groot kopkarper lijkt sterk op spiegelkarper. De groot kopkarper heeft een kortere kiel onder de buik.
Leefgebied: Uitheems. Deze van oorsprong uit China afkomstige karper kan in ons land worden aangetroffen. Via de grote rivieren komt een enkele maal een uitgezet exemplaar van dit soort ons land binnen.

Voedsel: Voornamelijk algen.

Lengte tot circa: 100cm

 

Grote Modderkruiper

Uiterlijk: 10 bekdraden aanwezig, waarvan 4 op de onderlip, 2 in de hoeken van de bek en 4 op de bovenlip. Over het lichaam lopen donkere banden in lengterichting.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt voor in vele wateren maar is zelden talrijk.
Voedsel: Voornamelijk bodemdiertjes zoals wormpjes en insectenlarven.

Lengte tot circa: 25cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

Bovenkant document

Gup

Uiterlijk: Vorm en kleur van de gup zijn vooral bij mannetjes zeer variabel.

Leefgebied: Uitheems; zeer zeldzaam. Komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. In ons land ingevoerd als aquariumvis. Losgelaten exemplaren handhaven zich in door koelwater verwarmde wateren bij enkele industrieën en elektriciteitscentrales.

Voedsel: Voornamelijk muggen larve en insectenlarven

Lengte tot circa: 3 cm vrouwtje tot circa 6 cm

 

Houting

Uiterlijk: Lange vlezige neus boven kleine onder stadige bek. 80-90 schubben op de zijlijn. Er is een vetvin aanwezig.

Leefgebied: Zeer zeldzaam. Kwam vroeger voor in de grote rivieren, maar is nu verdwenen uit de Nederlandse binnenwateren. Vanaf 1997 weer enkele meldingen in IJzelmeer en Waal.
Voedsel: Dierlijke organismen, met voorkeur voor dierlijk plankton.

Lengte tot circa: 50cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

Bovenkant document

Karper

Uiterlijk: In de Nederlandse wateren komen van de karper 4 verschillende schubbig typen voor. Deze typen worden aangeduid als schubkarper, spiegelkarper, rijenkarper en naaktkarper. Er zijn 4 bekdraden aanwezig, waarvan 2 in de hoeken van de bek en 2 kortere op de bovenlip. De rand van de rugvin is hol ingesneden. De voorste vinstraal van de rugvin is stevig en getand.
De rijenkarper is van de andere karpertypen tot onderscheiden door het voorkomen van een enkele rij grote schubben op de zijlijn. De naaktkarper is van de andere karpertypen te onderscheiden doordat geen of slechts enkele schubben aanwezig zijn.

Leefgebied: Ingeburgerd, algemeen. Komt door uitzettingen in veel wateren voor.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kleine kreeftachtige, weekdieren en wormpjes.

Lengte tot circa: 120cm

 

Kesslers Grondel

Uiterlijk: Grote, brede kop met gezwollen wangen en lippen en een bovenstandige bek. Ogen dicht bij elkaar en hoog in de kop geplaatst. Nek geschubd. Lichaam en kop roodbruin gemarmerd. De bases van beide rugvinnen raken elkaar. Rugvinnen met horizontale roodbruine banden op een lichtere ondergrond en zonder zwarte vlek. Buikvinnen aaneengegroeid tot een zuignap, waarmee de vis zich kan vastzetten op een harde ondergrond.

Leefgebied: Uitheems; zeldzaam. Zowel in zout als zoet water. Komt van oorsprong uit de Kaspische- en de Zwarte Zee en het stroomgebied van de Donau. Waarschijnlijk via het Main-Donaukanaal is Kessler’s grondel nu ook verspreid in het stroomgebied van de Rijn. In Nederland vooral in de grote rivieren.

Voedsel: Ongewervelde dieren, vooral kleine kreeftachtigen.

Lengten tot circa: 22 cm

Bovenkant document

Kleine Marene

Uiterlijk: Er is een vetvin aanwezig. Op de zijlijn liggen 82-84 schubben. De bek is bovenstandig.
Leefgebied: Uitheems, zeer zeldzaam. Is in de 20e eeuw enkele malen in ons land aangetroffen.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton;

Lengte tot circa: 30cm

Kleine Modderkruiper

Uiterlijk: Er zijn 6 korte bekdraden, waarvan 4 op de bovenlip en 2 in de hoeken van de bek. Op de flanken ligt een rij grote donkerbruine vlekken. Ook de kop, de rug en de rug- en staartvin zijn gevlekt. Onder het oog bevindt zich een gevorkt stekeltje.

Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt plaatselijk, soms talrijk, voor in uiteenlopende watertypen, maar heeft een voorkeur voor schone, heldere wateren. Voedsel: Voornamelijk kleine diertjes zoals insectenlarven en wormpjes.

Lengte tot circa: 13cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

 

Kolblei

Uiterlijk: Wordt vaak verward met kleine exemplaren van de brasem. Aantal rijen schubben boven de zijlijn bedraagt 8 tot 10. De oogdiameter is groter dan de afstand van het oog tot de punt van de bek.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in allerlei watertypen.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kleine kreeftachtige, wormpjes en dierlijk plankton.

Lengte tot circa: 35cm

Bovenkant document

Kopvoorn

Uiterlijk: Kan worden verward met de graskarper. Onder de zijlijn liggen 3-4 rijen schubben. Het lichaam is cilindrisch, de kop tamelijk plat en breed. De anaalvin is bolrond.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het stroomgebied van de Limburgse Maas. Komt ook elders in de grote rivieren en een aantal beken voor.
Voedsel: insecten, insectenlarven, weekdieren, soms plantendelen en kleine vis.

Lengte tot circa: 65cm

Minimummaat: 30 cm

Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

 

Kroeskarper

Uiterlijk: Op de zijlijn liggen 33-36 schubben. De rugvin is bolrond. De 5e of de 6e vinstraal is het langst. Bekdraden ontbreken.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt voor in stilstaande wateren met veel plantengroei en een zachte bodem.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, plantendelen, dierlijk plankton en slakjes.

Lengte tot circa: 50m

Bovenkant document

Kwabaal

Uiterlijk: Onder de bek bevindt zich 1 kindraad. Er zijn 2 rugvinnen waarvan de achterste (vinzoom) doorloopt tot aan de staartvin. De buikvinnen bevinden zich voor de borstvinnen.
Leefgebied: Zeldzaam. Komt in kleine aantallen voor in met name het Utrechtse plassengebied, in Friesland en in grote rivieren.
Voedsel: Kreeftachtige en kleine vis.
Lengte tot circa: 60cm

 

Marmergrondel

Uiterlijk: De ogen staan hoog in de kop. De neusopeningen vormen korte buisjes. Twee gescheiden rugvinnen, waarvan de tweede rugvin is gevormd tot een langere vinzoom. De buikvinnen zijn aaneengegroeid. Mannetjes in de voortplantingstijd zijn zwart van kleur. Heeft wat weg van de rivierdonderpad. Gemarmerde tekening. De bek is gevormd tot een bekspleet en is eindstandig. Leefgebied: Uitheems; zeer zeldzaam. Zowel in zout als zoet water. Komt van oorsprong uit de Kaspische- en de Zwarte Zee en het stroomgebied van de Donau. Via het Main-Donaukanaal of via ballastwater van schepen is de gemarmerde grondel nu ook verspreid in het stroomgebied van de Rijn.

Voedsel: Bodemdiertjes als kreeftachtige en insectenlarven.

Lengten tot circa: 11 cm

Bovenkant document

Meerval

Uiterlijk: Er zijn 6 bekdraden aanwezig, waarvan 2 op de onderkaak, 2 in de hoeken van de zeer brede bek en 2 lange sprieten op de kop vóór de zeer kleine ogen. De opvallend kleine rugvin bevind zich ver naar voren op het lichaam. Op het achterste deel van het lichaam is aan de onderzijde een vinzoom aanwezig.
Leefgebied: Zeldzaam. Komt voor in de Westeinderplassen en de daarmee in verbinding staande wateren. Wordt ook regelmatig in de rivieren en op andere plaatsen gevangen.

Voedsel: Voornamelijk vis.

Lengte tot circa: 250cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

 

Pos

Uiterlijk: De rugvin bestaat uit een gedeelte met harde stekels en een gedeelte met zachte stekels. Het lichaam, inclusief de staart- en rugvin is getekend met donkere vlekjes

Leefgebied: Algemeen. Komt met name in de grotere wateren en het IJzelmeer voor.

Voedsel: Hoofdzakelijk insectenlarven en kleine kreeftachtige.

Lengte tot circa.: 20cm

Bovenkant document

Regenboogforel

Uiterlijk: De bovenkaak loopt door tot ver achter het oog. De voorrand van de buik-, borst- en anaal vinnen is lichtgekleurd met zwarte omranding. De staartvin is eveneens zwart omrand. Er is een vetvin aanwezig. De rug is gemarmerd licht/donker getekend.
Leefgebied: Uitheems. Komt oorspronkelijk uit Noord Amerika. Uitgezette exemplaren soms in Geul en Maas.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeftachtige en soms kleine vissen.

Lengte tot circa: 5cm

Minimummaat: 25 cm

 

Rivier Donderpad

Uiterlijk: De 2 rugvinnen grenzen aan elkaar, het achterste deel is beduidend langer dan het voorste deel. Op het kieuwdeksel bevindt zich een omhoog wijzend stekeltje. De ogen liggen dicht bij elkaar boven op de kop. Schubben ontbreken.

Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt in geringe aantallen voor in beken. Heeft een voorkeur voor een harde, stenige bodem. In groter aantal te vinden in grote rivieren en meren met stenen oevers.
Voedsel: Hoofdzakelijk insectenlarven, wormpjes en kleine kreeftachtige.

Lengte tot ca.: 15cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

Bovenkant document

 

Riviergrondel
Uiterlijk: De bek is onderstandig. Er zijn 2 bekdraden aanwezig, 1 in elke hoek van de bek
Leefgebied: Algemeen. Komt niet alleen voor, in rivieren, maar ook plaatselijk in diverse stilstaande wateren.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven en wormpjes.

Lengte tot circa: 20cm

 

Rivierprik

Uiterlijk: De zuigbek is voorzien van een raspschijf, deze is bezet met een klein aantal tandjes. Er zijn aan elke zijde 7 kieuwopeningen. De zijden en de buik zij zilverkleurig. Bij geslachtsrijpe dieren is de rug egaal zwart.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt in gering aantal voor in de rivieren en beken. Wordt in zoetwater geboren maar trekt na 3 a 4 jaar naar zee en groeit daar verder op. Keert na enkele jaren weer terug naar het zoete water om zich daar voort te planten.

Voedsel: Volwassen prik leeft als parasiet op andere vissen in brak en zout water.

Lengte circa: 40cm

Minimummaat: 15 cm

Valt onder de Flora- en Faunawet

Bovenkant document

Roofblei

Uiterlijk: De punt van de onderkaak valt in een kuiltje van de bovenkaak. De brede, schuin omhoog gerichte, bek loopt door tot onder het oog.
Leefgebied: Uitheems, zeldzaam. Komt van oorsprong uit het stroomgebied van de Doña en Oost Europa. Wordt steeds vaker in de grote rivieren en daarmee verbonden wateren gevangen.
Voedsel: insecten, insectenlarven en vis.

Lengte tot circa: 100cm

 

Ruisvoorn / Rietvoorn

Uiterlijk: De bek is bovenstandig. Voorzijde rugvin duidelijk achter voorzijde buikvinnen.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in ondiepe plantenrijke wateren.
Voedsel: Voornamelijk insecten en insectenlarven, soms plantdelen.

Lengte tot circa: 45cm

Minimummaat: 15 cm

Bovenkant document

Russische Steur

Uiterlijk: Vijf rijen beenplaten; aantal beenplaten per rij: 7-19 op de rugzijde, 24-44 op de flanken en 6-13 op de buikzijde. Geen beenplaten links en rechts van de basis van de anaalvin aanwezig; inplanting van gladde bekdraden dichter bij de korte snuitpunt dan bij de bek. Verder als bij de Atlantische steur.

Leefgebied:  Uitheems, zeldzaam. Zowel in zout als zoet water. Komt van oorsprong voor in Eurazië: Zwarte Zee, Zee van Azov en Kaspische Zee en hun rivieren. De Russische steur is evenals de andere uitheemse steuren in Nederland geïntroduceerd via uitzettingen van tuinvijver- en aquariumliefhebbers en ontsnappingen uit sierviskwekerijen en –handels. Komt in Nederland vooral voor in rivieren.

Voedsel: Bodemdiertjes als mossels, kreeftachtigen en kleine visjes.

Lengten tot Circa: 235 cm

 

Serpeling

Uiterlijk: Kan worden verward met de blankvoorn. De bek is onder stranding. De rand van de rug- en anaalvin is hol ingesneden. De iris is geelachtig.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt voor in rivieren en beken, maar is daar sterk achteruit gegaan.
Voedsel: insecten, insectenlarven en andere kleine diertjes.

Lengte tot circa: 30cm

Minimummaat: 15 cm

Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

Bovenkant document

Siberische Steur

Uiterlijk: De beenplaten op de flanken hebben dezelfde kleur als het lichaam. Vijf rijen beenplaten; aantal beenplaten per rij: 10-19 op de rugzijde, 32-59 op de flanken en 7-16 op de buikzijde. Met kleine, stervormige beenplaatjes tussen de grote. Geen beenplaten achter de rugvin en achter de anaalvin aanwezig. Verder als bij de Atlantische steur.

Leefgebied: Uitheems, zeldzaam. Zowel in zout als zoet water. Komt van oorsprong voor in de voormalige Sovjet Unie (Siberië) en Azië. De Siberische steur is evenals de andere uitheemse steuren in Nederland geïntroduceerd via uitzettingen van tuinvijver- en aquariumliefhebbers en ontsnappingen uit sierviskwekerijen en –handels. Komt in Nederland vooral voor in rivieren.

Voedsel: Bodemdiertjes als insectenlarven, wormen en kreeftachtigen.

Lengten tot circa: 200 cm

 

Sneep

Uiterlijk: De bek is onder stadig en ligt onder een vooruitstekende neus. De hoornig, hard aanvoelende lippen vormen een vrijwel rechte spleet. Op de zijlijn liggen 56-61 schubben.
Leefgebied: Zeldzaam. Wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het stroomgebied van de Limburgse Maas .
Voedsel: De sneep schraapt het voedsel van de stenen, bestaande uit algen en kleine diertjes. Lengte tot circa: 50cm

Minimummaat: 30 cm

Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

Bovenkant document

Snoek

Uiterlijk: Anaalvin en rugvin bevinden zich ver achterwaarts op het lichaam. De kop loopt uit in een platte brede bek. Het lichaam is getekend met goudkleurige stippen of strepen.
Leefgebied: Algemeen. De snoek heeft een voorkeur voor heldere wateren, omgeven door plantenrijke oeverzones.
Voedsel: Zijn prooi bestaat hoofdzakelijk uit vis.

Lengte tot circa: 140cm

Minimummaat: 45 cm

Gesloten tijd: 1 maart t/m 30 juni

 

Snoekbaars

Uiterlijk: De 2 rugvinnen zijn gescheiden, waarvan de voorste uitsluitend harde stekels heeft. De bovenkaak loopt door tot achter het violet oplichtende oog.

Leefgebied: Ingeburgerd, algemeen. Komt voor in troebele en diepe heldere wateren. Heeft daarbij voorkeur voor een stevige bodem.

Voedsel: Hoofdzakelijk kleine vis.

Lengte tot ca.: 120cm

Minimummaat: 42 cm

Gesloten tijd: van 1 april tot de laatste zaterdag van mei

Bovenkant document

Spiegelkarper

Uiterlijk: De spiegelkarper is van de andere karpertypen te onderscheiden doordat over het gehele lichaam een aantal onregelmatig geplaatste schubben van verschillende grootte voorkomen.
Leefgebied: Ingeburgerd, algemeen. Komt door uitzettingen in veel wateren voor.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kleine kreeftachtige, weekdieren en wormpjes.

Lengte tot circa: 120cm

 

Spiering

Uiterlijk: Er is een vetvin aanwezig. De bek is bovenstandig. De spiering heeft een kenmerkende komkommergeur.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt wel algemeen voor in de kustprovincies, het IJzelmeer en de daarmee in verbindingstaande wateren. Ook in de Waddenzee en de kustwateren leeft Spiering.
Voedsel: Dierlijk plankton en kleine kreeftachtige. Grote Spiering eet ook wel vis, meestal kleine soortgenoten.

Lengte tot circa: 20cm

Bovenkant document

Sterlet

Uiterlijk: Snuit met lange bekdraden met franjes. Vijf rijen beenplaten; aantal beenplaten per rij: 12-17 op de rugzijde, meer dan 57 op de flanken en 10-19 op de buikzijde. Geen beenplaten achter de rugvin en achter de anaalvin aanwezig. De beenplaten op de flanken hebben een lichtere kleur dan het lichaam. Verder als bij de Atlantische steur.

Leefgebied: Uitheems, zeldzaam. Zowel in zout als zoet water. Komt van oorsprong voor in Eurazië: Zwarte Zee, Kaspische Zee, Witte Zee en de Zee van Azov. De sterlet is evenals de andere uitheemse steuren in Nederland geïntroduceerd via uitzettingen van tuinvijver- en aquariumliefhebbers en ontsnappingen uit sierviskwekerijen en –handels. Komt in Nederland vooral voor in rivieren.

Voedsel: Bodemdiertjes als insectenlarven, wormen en kreeftachtigen.

Lengten tot circa: 125 cm

 

Steur

Uiterlijk: 4 Bekdraden bij de uitstulp baren, onder stadige bek In plaats van schubben zijn er 5 rijen beenplaten aanwezig. De bovenste staartlob is groter dan de onderste.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Leeft als trekvis in zoet en zout water, maar is uit onze binnenwateren als populatie verdwenen. In de Noordzee wordt nog zeer sporadisch een steur gevangen. In de binnenwateren worden regelmatig ontsnapte of uitgezette exemplaren van gekweekte steursoorten aangetroffen. (Sterlet, Siberische en Russische steur) (Het onderscheid is moeilijk)
Voedsel: Hoofdzakelijk kleine bodemdiertjes.

Lengte tot circa: 4m

Valt onder de Flora- en Faunawet

Bovenkant document

 

Tiendoornige Stekelbaars

Uiterlijk: Vóór de rugvin bevinden zich 9-11 stekels. De buik is zilverkleurig. Rug- en anaalvin bevinden zich ver naar achteren

Leefgebied: Algemeen. Heeft een voorkeur voor kleine, plantenrijke wateren.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton.

Lengte tot ca.: 7cm

 

Vetje

Uiterlijk: Op het zichtbare gedeelte van de zeer korte zijlijn liggen 7-13 schubben. De bek is bovenstandig.
Leefgebied: Vrij zeldzaam. Komt plaatselijk in groter aantal voor, zowel in kleine stilstaande wateren als in grote plassen. Wordt ook gevonden in beken en kleine rivieren. De aanwezigheid van het vetje wordt vaak niet opgemerkt.
Voedsel: Voornamelijk dierlijk plankton en plantaardig materiaal.

Lengte tot circa: 12cm

Bovenkant document

Vlagzalm

Uiterlijk: De rugvin (vlag) is zeer lang en hoog. Op het lichaam komen zwarte stippen voor. Er is een vetvin aanwezig. De vis ruikt naar tijm.
Leefgebied: Zeer zeldzaam. Kwam incidenteel in de Nederlandse beken voor. In een klein aantal beken wordt getracht door uitzetting een natuurlijke vlagzalmstand terug te krijgen.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, en kleine vis.

Lengte tot circa: 50cm

Minimummaat: 35 cm

Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

 

Winde

Uiterlijk: De kleine bek is eind stadig. De rand van de anaalvin is ingesneden. Op de zijlijn liggen 56-61 schubben.
Leefgebied: Algemeen. Vooral in het IJzelmeer en aangrenzende wateren, in de Biesbosch en het Haringvliet en elders in de grote rivieren. Kan door uitzetting ook voorkomen in afgesloten wateren.
Voedsel: insecten, kleine kreeftachtige en soms ook kleine witvis.

Lengte tot circa: 80cm

Minimummaat: 30 cm

Gesloten tijd: van 1 april tot en met 31 mei

Bovenkant document

Witvingrondel

Uiterlijk: De bek is onderstandig. Er zijn twee bekdraden aanwezig, één in elke hoek van de bek. Naar achteren gevouwen reiken de bekdraden tot achter de oogrand. Lijkt erg op de inheemse riviergrondel (Gobio gobio), maar verschilt door de langere bekdraden.

Leefgebied: Uitheems; zeer zeldzaam. Oorspronkelijk in rivieren die uitmonden in de Zwarte- en Kaspische Zee. Tegenwoordig in Rijn en Maas, waarschijnlijk ook in Nederland.

Voedsel: Ongewervelde bodemdiertjes en algen.

Lengten tot circa: 14 cm

 

Zalm

Uiterlijk: Er is een vetvin aanwezig. Tussen de achterkant van de vetvin en de zijlijn liggen 10-13 rijen schubben. De bovenkaak loopt door tot achter het oog.
Leefgebied: Zeldzaam. Zalm trekt vanuit zee de rivieren op om zich in de beken aan de bovenloop voort te planten. Uit de Nederlandse rivieren is de zalmstand verdwenen. Wordt zo u en dan nog wel eens aangetroffen.
Voedsel: Voornamelijk insecten, insectenlarven, kreeftachtige en vis

Lengte tot circa: 150cm

Minimummaat: 40 cm

Gesloten tijd: het gehele jaar

Bovenkant document

Zeeforel

Uiterlijk: Kan worden verward met de zalm. Heeft een vetvin. Tussen de achterkant van de vetvin en de zijlijn liggen 14-17 rijen schubben. De bovenkaak loopt door tot achter het oog. Op het lichaam komen zwarte, min of meer kruisvormige, vlekjes voor.
Leefgebied: Zeldzaam. Wordt in toenemende mate aangetroffen in het IJzelmeer en de rivieren, maar komt meer voor langs de Noordzeekust en de Wadden.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, kreeftachtige en vis.

Lengte tot circa: 120cm

Minimummaat: 40 cm

Gesloten tijd: het gehelenjaar

 

Zeelt

Uiterlijk: De iris van het oog is oranje gekleurd. De vinnen zijn bolrond. Er zijn 2 korte bekdraden aanwezig. Onder de dikke slijmhuid bevinden zich op de zijlijn 95-120 kleine schubben.
Leefgebied: Algemeen. Komt voor in wateren met veel plantengroei en een zachte bodem.
Voedsel: Voornamelijk insectenlarven, wormen en slakjes.

Lengte tot circa: 60cm

Minimummaat: 25 cm

Bovenkant document

Zeeprik

Uiterlijk: De zuigbek is voorzien van een raspschijf, deze is bezet met een klein aantal tandjes. Er zijn aan elke zijde 7 kieuwopeningen. Het lichaam is licht/donker gevlekt.
Leefgebied: Zeldzaam. Trekt vanuit de zee de rivieren op om te gaan paaien.
Voedsel: Volwassen prik leeft als parasiet op andere vissen in brak en zout water.

Lengte tot circa: 90cm

 

Zilverkarper

Uiterlijk: De spiegelkarper lijkt sterk op groot kopkarper.
Leefgebied: Uitheems. Deze van oorsprong uit China afkomstige karper kan in ons land worden aangetroffen. Via de grote rivieren komt een enkele maal een uitgezet exemplaar van dit soort ons land binnen.
Voedsel: Voornamelijk algen.

Lengte tot circa: 100cm

Bovenkant document

Zonnebaars

Uiterlijk: Op het kieuwdeksel bevindt zich vaak een oranje rode, zwart omrande vlek. De rugvin bestaat uit één geheel, waarin echter een gedeelte met harde stekels en een hoger gedeelte met zachte stekels zijn te onderscheiden. Het lichaam is opvallend getekend met blauwachtige flanken, bezet met geelbruine en rode vlekjes.
Leefgebied: Ingeburgerd, zeldzaam. Komt uit Noord Amerika. Wordt in ons land voornamelijk aangetroffen in vennen en plantenrijke wateren in Noord Brabant. Verder op sommige plaatsen in en langs de Limburgse Maas en in Noord- en Zuid Holland.

Voedsel: Hoofdzakelijk dierlijk plankton, insecten(larven) en visbroed.

Lengte tot ca.: 15cm

 

Zwartbekgrondel

Uiterlijk: Evenals de rivierdonderpad en de marmergrondel heeft de zwartbekgrondel de ogen hoog in de kop staan. In tegenstelling tot de bruingekleurde marmergrondel en rivierdonderpad is deze vis geelgrijs van kleur en heeft een geblokte tekening. De buikvinnen zijn aaneengegroeid tot een zuigschijf, waarmee de vis zich kan “vastzetten” op een stenige ondergrond. Achterin de voorste rugvin is een duidelijke zwarte vlek aanwezig. Mannetjes zijn tijdens de voortplantingstijd zwart van kleur.

Leefgebied: Uitheems, zeldzaam. Zowel in zout als zoet water.  Komt van oorsprong voor in de Zwarte Zee, Kaspische Zee en de Zee van Azov. Mogelijk is de zwartbekgrondel in Nederland geïntroduceerd via de lozing van ballastwater van schepen. Komt in Nederland vooral voor in de benedenloop van de grote rivieren en de mondingen daarvan.

Voedsel: Bodemdiertjes als mossels, kreeftachtigen, wormen en kleine vissen.

Lengten tot circa: 25 cm

Bovenkant document

Zwarte Amerikaanse Dwergmeerval

Uiterlijk: Kan worden verward met de bruine Amerikaanse dwergmeerval. SDe buitenste rand van de anaalvin steekt donker af bij de rest van de anaalvin. Er zijn 8 bekdraden aanwezig, waarvan 4 op de onderkaak, 2 in de hoeken van de bek en 2 op de kop. De stekels van de borstvinnen zijn aan de binnenkant niet of zwak getand. Er is een vetvind aanwezig.
Leefgebied: Uitheems, zeer zeldzaam. Oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika. Er zijn slechts enkele waarnemingen bekend.
Voedsel: Insectenlarven, slakjes, visjes en plantendelen.
Lengte tot circa: 35cm

 

Terug vorige pagina